HET VIEREN VAN DE HEILIGE MIS (2.)

Na de opening van de dienst, zoals beschreven in het januarinummer van ons parochieblad, gaat de Heilige Mis verder met de Dienst van het Woord.
In de dienst van het Woord spreekt de Heer ons aan. Zijn woorden klinken in de teksten uit de Bijbel.
In de zondagse liturgie kunnen drie lezingen uit de Heilige Schrift gelezen worden: een lezing uit het Oude Testament, een lezing uit het Nieuwe Testament en een lezing uit het Heilig Evangelie. In ons parochiecluster kiezen we in het weekend geen drie, maar twee lezingen. Doorgaans is het een lezing uit het Oude Testament en een evangelielezing. Deze keuze wordt gemaakt omdat deze lezingen vaak beter op elkaar aansluiten. Tussen de eerste lezing en de tekst uit het evangelie klinkt de tussenzang. Wanneer een koor de dienst opluistert komt deze tussenzang vaak voor hun rekening. Bij volkszang zingt de gemeenschap een lied tussen de lezingen. Ook is het gebruikelijk om in Heilige Missen zonder muziek dat de psalm gebeden wordt door de lectrice of de lector. De gemeenschap bidt dan telkens de antifoon – het refrein – afwisselend met degene die de lezing verzorgt.
Daarna volgt het Alleluja – vers., waarin een woord uit het Evangelie klinkt.
Zowel de eerste lezing als de voorbeden in de dienst zijn voorbehouden aan iemand uit de gemeenschap van gelovigen.
Deze taak is uitdrukkelijk bestemd voor een lectrice of een lector en niet voor een gewijde ambtsdrager. Daarmee wordt ook aangegeven dat het vieren van de Eucharistie een gebeuren is van en voor de hele geloofsgemeenschap. Voor het Tweede Vaticaans concilie was er weinig afwisseling in de lezingen van de zondagen. Er werd jaarlijks een vast programma gevolgd. Daar heeft het concilie verandering in gebracht. We kennen nu een cyclus van drie jaren waarin alle evangelieteksten gelezen worden. In het A- jaar lezen we uit het Mattheüs–evangelie. In jaar B staat Marcus op het programma en in het C-jaar Lucas. De teksten uit het Johannes–evangelie zijn gespreid over de drie jaren, meestal rond Kerstmis, de Veertigdagentijd en de Paastijd. Op weekdagen volgt de liturgie een tweejaarlijkse cyclus. In plechtige Heilige Missen wordt – na de aankondiging van het Heilig Evangelie – het evangelieboek bewierookt. Dat gebeurt uit eerbied voor het woord van God. Uit respect voor Gods Woord gaat de geloofsgemeenschap ook staan bij het beluisteren van de tekst uit het Heilig Evangelie. Nu volgt in de preek de uitleg van de teksten uit de Heilige Schrift en wordt gezocht naar mogelijkheden hoe we deze teksten in ons eigen leven vorm kunnen geven. De preek wil ons helpen de Bijbel goed te verstaan en in praktijk te brengen. In de weekendvieringen worden we nu uitgenodigd om staande de geloofsbelijdenis te bidden of te zingen. We doen dat samen als gemeenschap, die heel uitdrukkelijk wil uitspreken wat zij belijdt .De dienst van het woord wordt afgesloten door de voorbeden: de gebeden van en voor de gemeenschap. Bij iedere voorbede wordt de gebedsintentie aangekondigd en volgt na een korte stilte het gebed. Er is een bepaalde volgorde te ontdekken in de voorbeden. Allereerst bidden we voor de noden van de geloofsgemeenschap. Daarna bidden we voor de noden van de wereld en daarna voor de persoonlijke noden, wensen en intenties. Iedere voorbede wordt door de gemeenschap beantwoord met de woorden: ‘Heer, onze God, wij bidden U, verhoor ons’. Het slotgebed sluit de litanie van deze gebeden af. De volgende keer komt ‘De dienst van de Tafel’ aan de orde.

J.P.Janssen, pr.