HET VIEREN VAN DE HEILIGE MIS (6) slot

Het ontvangen van de Heilige Communie vraagt om waardigheid.
We zijn ons er doorgaans wel van bewust dat wij mensen zijn met talenten, maar ook dat we regelmatig tekortschieten in onze omgang met de Heer en met elkaar. Perfect zijn we niet en daarom vragen we, – voordat we communiceren –, dat de Heer zich over ons wil ontfermen: ‘Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt, ontferm U over ons.’ In de derde bede vragen we dat de Heer ons vrede wil schenken, vrede met onszelf en vrede met onze menselijke omgeving.
Daarna toont de priester de Heilige Hostie en de Kelk met het Heilig Bloed en wenst ons toe: ‘Zalig ieder, die zich genodigd weet aan de tafel van de Heer. Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden van de wereld.’ Deze uitnodiging vraagt om een eerlijk onderzoek of we ons waardig kunnen voelen de heilige Communie te ontvangen. Of er geen ernstige feiten zijn die we eerst uit de weg moeten ruimen, voordat we de Heer zelf kunnen ontvangen.
De priester vervolgt: ’Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden.’ Daarmee wordt de hoop en de verwachting uitgesproken dat de Heer daadwerkelijk ons wil helpen, – door bij ons te komen – , zodat wij steeds meer in Zijn voetsporen gaan.
Voordat de priester de Heilige Hostie en de beker nuttigt spreekt hij gelovig uit: ‘Het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus beware ons tot eeuwig leven. Het Lichaam van Christus. Amen. “
Vervolgens wordt de Heilige Hostie uitgereikt aan de gelovige deelnemers aan de Eucharistie. De Hostie wordt aan ons getoond bij de heilige communie en er wordt gezegd wat wij ontvangen: ‘Het Lichaam van Christus.’ Als gelovige ontvanger van de Heilige Communie bevestigen wij dat en zeggen ‘Amen.’ Dat betekent: ‘Het is zo. Ik geloof dat.’
Na de communie bidden we een tijd in stilte. Een heel diep moment van verbondenheid met de Heer. Dan vat de priester het gebed samen in een slotgebed. Daarna volgen doorgaans enkele mededelingen die voor de kerkgangers van belang zijn om te weten.’ Voordat de priester de zegen geeft, kan hij ons met een speciaal woord wijzen op onze zending, op onze opdracht in het leven als gelovige. Daarna spreken we de wens uit dat we worden gezegend op onze levensweg door God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook die wens beamen we. Met de wegzending: ‘Gaat dan allen heen in vrede’ en ons dankwoord: ‘Wij danken God,’ wordt de Heilige Mis beëindigd. Maar dan begint het eigenlijk pas. We worden uitgezonden om als gelovige mensen in de wereld te staan en te doen wat van ons als christen verwacht wordt.
Want gelovig zijn begint en eindigt niet aan de deur van het kerkgebouw.

J.P. Janssen, pr. Stein