We staan stil bij het tweede deel van de Dienst van de Tafel: het Eucharistisch Hooggebed.
Het Eucharistisch Hooggebed begint opnieuw met de wens ‘De Heer zij met U.’ Daarmee wordt aangegeven dat wij samen zijn gekomen in de naam van de Heer Jezus en denkend aan Zijn woorden: ‘Waar er twee of drie in Mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden.’ Deze woorden van Jezus staan geschreven in het Mattheüs-evangelie. (Math. 18, 20).
In het begin van het Eucharistisch Hooggebed wordt God lof gebracht om Zijn grote daden aan de mensheid: aan de schepping en de verlossing. Dit gedeelte heet ‘prefatie’ en wordt afgesloten met de lofprijzing ‘Heilig, Heilig, Heilig de Heer, de God der Hemelse Machten.’
In het vervolg van het Eucharistisch Gebed strekt de priester de handen uit over de offergaven om de komst van de Heilige Geest af te smeken.
Centraal in het gebed klinken dan de woorden uit het instellingsverhaal. Dit zijn de woorden van de consecratie. De woorden die Jezus zelf uitsprak bij het Laatste Avondmaal: ‘Dit is Mijn Lichaam’ en ‘Dit is Mijn Bloed’. Dit betekent zonder meer: ‘Dit ben Ik, Christus zelf, gegeven voor u.’
Wij geloven met de hele Rooms Katholieke Kerk dat Jezus werkelijk aanwezig is. De Kerk bevestigt tot op vandaag dat brood en wijn door de werking van de Heilige Geest werkelijk en wezenlijk veranderd zijn in het Lichaam en Bloed van Christus, alhoewel we met onze zintuigen brood en wijn blijven zien.
Na het ter aanbidding tonen van de Heilige Hostie en de Beker, nodigt de priester ons uit met elkaar dat geloof te bevestigen: ‘Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.’
Daarna gaat het gebed verder en biedt de priester in Jezus’ Naam het offer aan God, de Vader, aan en er volgt een tweede smeekgebed tot de Heilige Geest: ‘Zend nu, Vader, de Trooster en Helper, in ons midden, uw Heilige Geest. Wek de gezindheid van Jezus Christus in ons hart. Sterk ons vertrouwen, verruim onze liefde. Raak ons met het vuur van uw Geest en breng ons elkaar nabij.’ Naar het einde van het Eucharistisch Gebed toe wordt gebeden om voorspraak: voor de Kerk onder leiding van de paus, de bisschoppen en de priesters; We bidden voor alle levende mensen en voor de aanwezige gemeenschap. We gedenken ook onze overledenen, degenen die ons ontvallen zijn. Wij doen dat op voorspraak van de Heilige Maagd Maria, van Sint Jozef, van de patroonheiligen van onze parochie. Vaak denken we daarbij ook aan de heilige van wie die dag de gedachtenis gevierd mag worden.
Het gebed eindigt met een plechtige dankzegging: ‘Door Hem en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn, Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de heilige Geest, hier en nu en tot in eeuwigheid.’
De bevestiging van die dankzegging drukt de gemeenschap uit door ‘Amen’ ‘Het is zo!’
J.P. Janssen, pr.